Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 januari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over ontucht met een 14-jarig meisje. De verdachte werd veroordeeld op grond van artikel 245 Sr Pro. Het verweer in cassatie richtte zich op een vermeend vormverzuim bij het opvragen en onderzoeken van historische telefoongegevens zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris, zoals vereist onder artikel 126n Sv.
De Hoge Raad heeft de klacht beoordeeld en geoordeeld dat het vormverzuim, hoewel aanwezig, niet zodanig was dat het hof had moeten afzien van het gebruik van het bewijsmateriaal. Het hof had volstaan met de constatering dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer gering was en dat het vormverzuim daarom niet tot vernietiging van het arrest leidde.
De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de grieven nader te motiveren, omdat deze geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.