ECLI:NL:HR:2024:380

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
22/00342
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69.1 AWRArt. 26.1 WWMArt. 1 Algemene wet op het binnentredenArt. 81.1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke leiding en vuurwapenbezit bevestigd door Hoge Raad

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan het opzettelijk voeren van een ondeugdelijke administratie volgens artikel 69 lid 1 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op grond van artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie (WWM).

In cassatie stelde de verdachte verschillende klachten in, met name over de bewijsklachten met betrekking tot het opzettelijk voeren van een ondeugdelijke administratie en de vraag of het hof terecht volstond met de constatering van overtreding van artikel 1 van Pro de Algemene wet op het binnentreden. Tevens werd een beroep gedaan op verontschuldigbare rechtsdwaling ten aanzien van het vuurwapenbezit.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering van dit oordeel te geven, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van acht weken geen ander rechtsgevolg aan deze termijnoverschrijding werd verbonden.

Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00342
Datum12 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2022, nummer 21-003102-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.C.J. Schoenmakers, advocaat te 's–Hertogenbosch, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van acht weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.