ECLI:NL:HR:2024:320

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
5 maart 2024
Zaaknummer
22/00620
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266.1 SrArt. 267.2 SrArt. 350.1 SrArt. 359.6 SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafmotivering gevangenisstraf voor belediging en vernieling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor belediging van een politieagent (art. 266.1 jo. 267.2 Sr) en vernieling (art. 350.1 Sr) tot een gevangenisstraf van 30 dagen.

De verdachte stelde het cassatieberoep in, vertegenwoordigd door zijn advocaten. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar vond deze onvoldoende voor vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO Pro).

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de beperkte mate van overschrijding verbindt de Hoge Raad hieraan geen verdere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de strafoplegging van het hof. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 12 maart 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van 30 dagen voor belediging en vernieling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00620
Datum12 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2022, nummer 21-000098-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1966,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte en D.W.E. Sternfeld, advocaat in Amsterdam, hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.