ECLI:NL:HR:2024:29

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
12 januari 2024
Zaaknummer
22/00625
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b lid 1 SrArt. 38v SrArt. 38w lid 3 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak belaging ex-vriendin met vrijheidsbeperkende maatregel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarbij verdachte werd veroordeeld voor belaging van zijn ex-vriendin. Gedurende vijf maanden zocht verdachte herhaaldelijk contact via e-mail, brief en telefoon, wat strafbaar is gesteld onder artikel 285b lid 1 Sr.

De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te onderzoeken omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht.

Daarnaast is in cassatie ook de vraag aan de orde gesteld of het hof terecht een vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd met een duur van tweemaal de vervangende hechtenis, conform artikel 38w lid 3 Sr. De Hoge Raad heeft dit niet als een reden tot vernietiging gezien.

De straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, een taakstraf van veertig uur en een vrijheidsbeperkende maatregel van twee jaar, waaronder een gebieds- en contactverbod. Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers en raadsheren Van Strien en Kuijer op 16 januari 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf met vrijheidsbeperkende maatregel bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00625
Datum16 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2022, nummer 22-002606-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 januari 2024.