Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
16 januari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarbij verdachte werd veroordeeld voor belaging van zijn ex-vriendin. Gedurende vijf maanden zocht verdachte herhaaldelijk contact via e-mail, brief en telefoon, wat strafbaar is gesteld onder artikel 285b lid 1 Sr.
De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te onderzoeken omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht.
Daarnaast is in cassatie ook de vraag aan de orde gesteld of het hof terecht een vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd met een duur van tweemaal de vervangende hechtenis, conform artikel 38w lid 3 Sr. De Hoge Raad heeft dit niet als een reden tot vernietiging gezien.
De straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, een taakstraf van veertig uur en een vrijheidsbeperkende maatregel van twee jaar, waaronder een gebieds- en contactverbod. Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers en raadsheren Van Strien en Kuijer op 16 januari 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf met vrijheidsbeperkende maatregel bevestigd.