Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:237

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2024
Publicatiedatum
14 februari 2024
Zaaknummer
22/00614
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 SrArt. 344.1.2 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring seksueel binnendringen bij verminderd bewustzijn slachtoffer

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd bewezenverklaard van seksueel binnendringen bij een vrouw die door het nuttigen van een grote hoeveelheid alcohol in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken.

Het cassatieberoep richtte zich op twee hoofdpunten: de vraag of het slachtoffer terecht was aangemerkt als zijnde in een staat van verminderd bewustzijn en de bewijskracht van een proces-verbaal van bevindingen van een informatief gesprek met het slachtoffer. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn feitelijke waardering van het bewijs, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen en eigen waarnemingen van camerabeelden, voldoende had gemotiveerd en dat dit oordeel niet onbegrijpelijk was.

Daarnaast bevestigde de Hoge Raad dat het proces-verbaal van het informatief gesprek, dat een verslag is van feiten en omstandigheden die verbalisanten zelf hebben waargenomen, als wettig bewijsmiddel kan dienen. De stelling dat dergelijke processen-verbaal categorisch niet als bewijs mogen worden gebruikt, werd verworpen. Het hof had geoordeeld dat er geen responsieplichtig verweer was en dat het proces-verbaal betrouwbaar was.

De overige cassatieklachten werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het beroep van de verdachte.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd, waarbij het seksueel binnendringen bij een slachtoffer in verminderd bewustzijn bewezen wordt verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00614
Datum16 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 februari 2022, nummer 22-004636-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat het slachtoffer verkeerde “in staat van verminderd bewustzijn”. Het tweede cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs van een proces-verbaal van bevindingen “informatief gesprek zeden”. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.2-2.12.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 februari 2024.