ECLI:NL:HR:2024:230

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
9 februari 2024
Zaaknummer
21/04841
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 lid 1 SrArt. 420bis lid 1 sub b SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 348 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak medeplegen oplichting en witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 november 2021, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en medeplegen van witwassen van uit oplichting verkregen geldbedragen.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen, de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie vanwege onzorgvuldige bewaring van digitale gegevens, en bewijsklachten omtrent het opzet en de toepassing van oplichtingsmiddelen.

De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat het niet nodig is om inhoudelijk op deze klachten in te gaan. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, maar ziet geen aanleiding om hieraan een ander rechtsgevolg te verbinden gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete.

Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen oplichting en witwassen blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04841
Datum27 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 november 2021, nummer 22-002613-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaat te Rotterdam, hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000, subsidiair 60 dagen hechtenis, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 februari 2024.