Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
27 februari 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 27 februari 2024 het cassatieberoep van de verdachte verworpen in een strafzaak over medeplegen witwassen van door oplichting verkregen geldbedragen. De zaak betrof meerdere feiten van witwassen, waarbij het hof Den Haag eerder een uitspraak deed op 18 november 2021.
De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege onzorgvuldige bewaring van inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers, waardoor niet de volledige digitale administratie beschikbaar was voor de verdediging. Tevens werd een bewijsklacht ingediend over de vraag of het overdragen en omzetten van geldbedragen als bewijs kon dienen.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hof-arrest konden leiden en dat het niet nodig was om inhoudelijk op deze vragen in te gaan omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn van behandeling was overschreden, maar dat dit gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000 geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg.
Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest werd bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof-arrest bevestigd met een geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000.