Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
13 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting, meermalen gepleegd. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.
In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder de vraag of het hof bij strafoplegging rekening mocht houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan de verdachte ten laste waren gelegd en of de redelijke termijn in eerste aanleg juist was vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de eerste klachten niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde straf. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de strafmaat betrof en verminderde de gevangenisstraf tot negen maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot negen maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk wegens overschrijding redelijke termijn.