ECLI:NL:HR:2024:1845

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
11 december 2024
Zaaknummer
22/02169
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en cassatie over medeplegen diefstal met valse sleutel en babbeltruc

De zaak betreft een verdachte die werd verdacht van medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel en het opnemen van geld van de bankrekening van een 89-jarige vrouw met haar pinpassen, verkregen via een babbeltruc. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken. Het hof Den Haag verklaarde de verdachte schuldig en legde een gevangenisstraf van vier maanden op.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad beoordeelde onder meer de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte op camerabeelden door twee opsporingsambtenaren en de strafmotivering door het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de herkenning als bewijs gebruikte en dat het hof terecht de omstandigheden van het wegnemen van de pinpassen en de persoonlijke aantasting van het slachtoffer bij de strafoplegging had betrokken.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, maar achtte dit niet reden voor een ander rechtsgevolg gezien de korte straf. Het cassatieberoep werd verder verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt gevangenisstraf van vier maanden wegens medeplegen diefstal.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02169
Datum10 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 juni 2022, nummer 22-003391-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben F.S. Baardman en M.J. Lamers, beiden advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verdachte door de opsporingsambtenaren.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 12.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 15 tot en met 30.

4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 december 2024.