ECLI:NL:HR:2024:1832

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
23/04015
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Sr (oud)Art. 300 lid 1 SrArt. 37a SrArt. 359a SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oplegging TBS met dwangverpleging bij eendaadse samenloop verkrachting en mishandeling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor eendaadse samenloop van verkrachting (oud art. 242 Sr Pro) en mishandeling (art. 300 lid 1 Sr Pro). Het hof legde TBS met dwangverpleging op, mede vanwege een ziekelijke stoornis van geestvermogens ten tijde van het feit zoals bedoeld in art. 37a Sr.

De verdediging voerde onder meer aan dat de resultaten van DNA-onderzoek niet als bewijs mochten worden gebruikt (art. 359a Sv) en dat de oplegging van TBS onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof de motivering voldoende had gegeven.

Daarnaast werd een klacht over overschrijding van de redelijke termijn (art. 6 EVRM Pro) afgewezen omdat de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afhandelde, waardoor de overschrijding werd gecompenseerd.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof Amsterdam.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de oplegging van TBS met dwangverpleging voor de verdachte.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04015
Datum10 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2023, nummer 23-001731-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan – wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
3.3
Het cassatiemiddel faalt dus.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 december 2024.