ECLI:NL:HR:2024:180

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
5 februari 2024
Zaaknummer
21/04602
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 36e.3 SrArt. 359.2 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek getuigenverhoor en constateert overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2021, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd behandeld. De betrokkene had bij het hof verzocht om het horen van een getuige over kluswerkzaamheden, maar dit verzoek werd afgewezen vanwege onvoldoende concrete onderbouwing.

In cassatie werd onder meer betoogd dat het hof op ontoelaatbare wijze vooruit was gelopen op hetgeen de getuige zou kunnen verklaren en dat het hof het verweer over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt had opgevat. De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat motivering niet nodig is vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden door het late toezenden van stukken door het hof. Hoewel deze overschrijding gegrond is verklaard, leidt dit niet tot cassatie. In een samenhangende strafzaak wordt beoordeeld of compensatie voor de termijnoverschrijding moet plaatsvinden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak is gewezen door vice-president M.J. Borgers en raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman op 6 februari 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04602 P
Datum6 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2021, nummer 21-006965-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De eerste deelklacht van het eerste cassatiemiddel is later ingetrokken.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 21/04601, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 februari 2024.