Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
26 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een incident waarbij in een loods een ontploffing en brand ontstonden door het gebruik van open vuur onder een ketel voor de productie van synthetische drugs. De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden vrijgesproken van opzettelijke brandstichting (art. 157 Sr Pro), maar wel veroordeeld voor het veroorzaken van ontploffing en brand door schuld (art. 158 lid 1 en Pro 2 Sr).
In cassatie stelde de verdachte een bewijsklacht in en voerde hij aan dat het hof innerlijk tegenstrijdig had geoordeeld door de culpoze variant bewezen te verklaren terwijl het opzettelijke feit niet was bewezen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de culpoze variant had bewezen verklaard en dat de klachten niet tot vernietiging konden leiden.
De Hoge Raad vond dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Kooijmans en Dalebout, op 26 november 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verdachte blijft veroordeeld voor het veroorzaken van ontploffing en brand door schuld.