ECLI:NL:HR:2024:1647

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
22/03930
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak poging tot doodslag met mes

In deze zaak stond verdachte terecht voor poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes in de rug en zij te steken, zoals omschreven in artikel 287 Sr Pro. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had verdachte veroordeeld en geoordeeld dat sprake was van opzet op het doden van het slachtoffer.

Verdachte stelde in cassatie diverse klachten in, waaronder over de innerlijke tegenstrijdigheid van de bewijsvoering en het opzet. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar gezien de beperkte mate van overschrijding leidt dit niet tot andere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de strafkamer op 12 november 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor poging tot doodslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03930
Datum12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 oktober 2022, nummer 21-000458-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2024.