Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes in de rug en zij te steken, zoals omschreven in artikel 287 Sr Pro. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had verdachte veroordeeld en geoordeeld dat sprake was van opzet op het doden van het slachtoffer.
Verdachte stelde in cassatie diverse klachten in, waaronder over de innerlijke tegenstrijdigheid van de bewijsvoering en het opzet. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar gezien de beperkte mate van overschrijding leidt dit niet tot andere rechtsgevolgen.
De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de strafkamer op 12 november 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor poging tot doodslag.