Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
6 februari 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, bankieren zonder vergunning en functioneren als geldtransactiekantoor zonder vergunning. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest, maar alleen voor de strafmaat.
Het cassatiemiddel richtte zich op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar uitspraak deed. De Hoge Raad oordeelde dat deze termijnoverschrijding gegrond was en dat dit aanleiding gaf tot vermindering van de gevangenisstraf.
De straf werd verminderd van 28 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, naar 26 maanden met dezelfde voorwaarden. De overige klachten van de verdachte werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Van Strien en Dalebout op 6 februari 2024.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 28 naar 26 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.