ECLI:NL:HR:2024:158
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling. Deze brief was onbestelbaar en werd na adresverificatie alsnog per gewone brief verzonden. Het griffierecht werd niet betaald.
Vervolgens kreeg belanghebbende bij aangetekende brief een nieuwe gelegenheid om te verklaren waarom het griffierecht niet was voldaan. Deze brief werd afgeleverd, maar belanghebbende maakte geen gebruik van deze mogelijkheid. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb moest het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.