Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
22 oktober 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, veroordeeld voor hennepteelt en het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Het cassatieberoep richtte zich voornamelijk op de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting en de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en tot vermindering daarvan.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet tot vernietiging konden leiden, behalve voor de betalingsverplichting die werd verminderd van €24.411,50 naar €23.190 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting hield rekening met de methode van eenvoudige kasopstelling en het tweepersoonshuishouden van de betrokkene.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 22 oktober 2024.
Uitkomst: Betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd naar €23.190 wegens overschrijding redelijke termijn.