ECLI:NL:HR:2024:1412

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
9 oktober 2024
Zaaknummer
23/01858
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511e SvArt. 348 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring OM in ontnemingsvordering wegens samenhangende strafzaak

In deze zaak heeft het openbaar ministerie cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingsvordering was gebaseerd op feiten uit een samenhangende strafzaak, waarin het hof eveneens het OM niet-ontvankelijk had verklaard voor bepaalde tenlasteleggingen.

De Hoge Raad oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de ontnemingszaak op onjuiste gronden berust, omdat het arrest in de strafzaak dat deze beslissing ondersteunde door de Hoge Raad is vernietigd. Hierdoor is de grondslag voor de niet-ontvankelijkverklaring komen te vervallen.

Het arrest verduidelijkt dat het ontbreken van een veroordeling in de strafzaak normaal gesproken de ontvankelijkheid in de ontnemingsvordering in de weg staat, maar dat dit niet geldt indien het arrest in de strafzaak wordt vernietigd. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing.

De uitspraak is van belang voor de rechtspraktijk omdat het de samenhang tussen strafzaken en ontnemingsvorderingen benadrukt en de voorwaarden voor ontvankelijkheid van het OM in ontnemingsprocedures verduidelijkt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de ontnemingszaak terug voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01858 P
Datum22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 mei 2023, nummer 20-002485-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De raadsman van de betrokkene J.H.L. Antonides, advocaat in Roermond, heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel berust op onjuiste gronden. Daartoe wordt aangevoerd dat, als het cassatiemiddel van het openbaar ministerie in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt doel treft en de Hoge Raad het arrest van het hof in de strafzaak vernietigt, aan de beslissing in de ontnemingszaak de grondslag komt te ontvallen.
2.2
Het hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering. De motivering van die beslissing houdt in:
“Het tenlastegelegde onder 1, 2 en 6 in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-002484-20), kort gezegd het opzettelijk telen, dan wel opzettelijk aanwezig hebben van 14.374 gram hennep (feit 1), het opzettelijk telen dan wel aanwezig hebben van 604 hennepplanten (feit 2) en witwassen (feit 6), ligt ten grondslag aan de ontnemingsvordering.
Het hof heeft bij arrest van heden in die zaak de bestreden uitspraak vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde.
Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. Door de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de hoofdzaak is aldus de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.
Nu een veroordeling ter zake het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde ontbreekt kan het Openbaar Ministerie niet in de ontnemingsvordering worden ontvangen en zal - onder vernietiging van het vonnis - daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”
2.3
De Hoge Raad heeft het arrest van het hof in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/01859, vernietigd wat betreft onder meer de beslissingen over het onder 1 (gedeeltelijk), 2 en 6 tenlastegelegde. Dat brengt mee dat aan de beslissing in deze ontnemingszaak de grondslag is komen te ontvallen (vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947).
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 oktober 2024.