Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
8 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor deelname als leider aan een criminele organisatie met het oogmerk overtreding van de Wet op de Kansspelen. In cassatie werd onder meer geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
De Hoge Raad stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat de cassatie-uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het beroep plaatsvond. Dit leidde tot de conclusie dat de redelijke termijn was overschreden.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze met tien maanden tot negen maanden en twee weken. Het overige beroep werd verworpen.
Daarnaast werd in de procedure een verzoek tot aanhouding van de terechtzitting afgewezen door het hof, mede omdat uit de medische verklaring slechts bleek dat vliegen onhandig was, zonder nadere onderbouwing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de medische verklaring of gelegenheid te bieden tot nadere onderbouwing.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 8 oktober 2024.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd met tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.