Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
1 oktober 2024.
Hoge Raad
De verdachte, werkzaam als begeleider in een maatschappelijke zorginstelling, werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het meermalen plegen van ontucht met een cliënte onder zijn zorg, in strijd met artikel 249, tweede en derde lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
In cassatie stelde de verdachte diverse klachten in, waaronder over het bewijsminimum en de ondersteuning van de verklaring van de aangeefster door ander bewijsmateriaal. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef en de veroordeling definitief werd bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens ontucht met een cliënte wordt bevestigd.