Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
24 september 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 24 september 2024 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 april 2022. De verdachte werd veroordeeld voor het bezit van een hoeveelheid softdrugs die de gedoogde limiet van 500 gram aanzienlijk overschreed, namelijk 39 kilo softdrugs en ruim 19 kilo met shag verwerkte softdrugs, meermalen gepleegd in strijd met artikel 3C van de Opiumwet.
De verdediging voerde in hoger beroep onder meer verweer over de hoeveelheid drugs die de verdachte in bezit had. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had voldaan aan de bewijsopgave zoals bedoeld in artikel 359 lid 3 Sv Pro en dat de klachten hierover niet tot vernietiging konden leiden. Ook de strafmotivering, waaronder de overweging dat de verdachte bij een eventuele toekomstige vergunning opnieuw op dezelfde wijze zou handelen, werd door de Hoge Raad niet onrechtmatig bevonden.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden (waarvan drie voorwaardelijk) naar acht maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd naar acht maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.