Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
24 september 2024.
Hoge Raad
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de rechtbank Den Haag tot verlening van een machtiging tot ontruiming van een kraakpand op grond van artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering. Vervolgens werd door de betrokkene een cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad tegen deze beschikking.
De Hoge Raad heeft onderzocht of het cassatieberoep ontvankelijk is. Op grond van artikel 445 Sv Pro is cassatieberoep alleen mogelijk tegen beschikkingen in de gevallen die in het Wetboek van Strafvordering zijn bepaald. In dit geval is er geen wettelijke bepaling die cassatie tegen deze specifieke beschikking openstelt, noch in het Wetboek van Strafvordering noch in enige andere wet.
Daarom kon de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van wettelijke grondslag voor cassatie tegen de beschikking tot ontruiming van een kraakpand.