Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
24 september 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van mishandeling, waarbij hij zich beroept op noodweer. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter dat de door verdachte aangevoerde feitelijke toedracht niet aannemelijk was geworden en verwierp het beroep op noodweer. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af.
De beoordeling van het hof was gebaseerd op getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen. Een getuige verklaarde dat de verdachte zonder aanleiding fors uithaalde naar het slachtoffer, terwijl een andere getuige meldde dat slechts één van de twee mannen een klap gaf waarna het slachtoffer viel. Het hof achtte het niet aannemelijk dat het slachtoffer de verdachte met een zaklamp had geslagen, hetgeen de noodweerverdediging zou kunnen ondersteunen.
De Hoge Raad merkt op dat het niet van belang is of de verdachte één of twee klappen gaf voor de verwerping van het beroep op noodweer. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, maar ziet geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg dan de constatering daarvan. De opgelegde taakstraf van 40 uur blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot een taakstraf van 40 uren wegens mishandeling zonder toepassing van noodweer.