ECLI:NL:HR:2024:1224

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
22/01883
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 208 SrArt. 209 SrArt. 214 SrArt. 140.1 SrArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken cassatiemiddelen in zaak medeplegen namaken en uitgeven valse bankbiljetten

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het namaken van bankbiljetten, medeplegen van het uitgeven van valse bankbiljetten, het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd tot het namaken van bankbiljetten en deelname aan een criminele organisatie.

Het cassatieberoep is door verdachte ingesteld, maar er zijn geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijke termijn. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid en stelt vast dat de wettelijke termijn voor het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd.

Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest is uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 8 oktober 2024, onder voorzitterschap van vice-president V. van den Brink, met raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01883
Datum8 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, nummer 21-003463-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 oktober 2024.