Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
8 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het namaken van bankbiljetten, medeplegen van het uitgeven van valse bankbiljetten, het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd tot het namaken van bankbiljetten en deelname aan een criminele organisatie.
Het cassatieberoep is door verdachte ingesteld, maar er zijn geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijke termijn. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid en stelt vast dat de wettelijke termijn voor het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd.
Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest is uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 8 oktober 2024, onder voorzitterschap van vice-president V. van den Brink, met raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.