ECLI:NL:HR:2024:1087
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vermogensrendementsheffing onder Herstelwet strijdig met art. 1 EP en art. 14 EVRM; geen rentevergoeding
Belanghebbende werd voor 2018 aangeslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €15.813. Na een eerdere uitspraak van de Hoge Raad werd deze aanslag verminderd naar €2.299, waarna belanghebbende een terugbetaling van €4.054 ontving.
In hoger beroep stelde belanghebbende recht te hebben op rentevergoeding over de periode tussen betaling en terugbetaling van de box 3-heffing. Het hof kende deze rentevergoeding toe op basis van artikel 30hb AWR.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze rentevergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat het middel slaagt en verwijst naar een recente uitspraak waarin is bepaald dat geen rentevergoeding verschuldigd is. Het hofarrest wordt vernietigd, behalve voor immateriële schade en griffierecht, en de rechtbankuitspraak bevestigd.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het cassatieberoep gegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest dat rentevergoeding toekende en bevestigt de rechtbankuitspraak dat geen rentevergoeding verschuldigd is.