Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2023:989

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2023
Publicatiedatum
26 juni 2023
Zaaknummer
21/04308 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e.2 oud SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij handel in MDMA en witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2021, waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen aan betrokkene, veroordeeld voor handel in MDMA en witwassen.

In cassatie werden onder meer vragen gesteld over de juiste methode voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk de transactieberekening versus de methode van kasopstelling. Tevens werd betwist of er voldoende aanwijzingen waren dat betrokkene ook handelde in precursoren (PMK) en of dit als soortgelijke feiten kon gelden voor ontneming volgens art. 36e.2 oud Sr.

De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat handel in PMK strafbaar was en als grondslag voor ontneming kan dienen. De Hoge Raad hoeft zijn oordeel niet te motiveren vanwege het ontbreken van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het beroep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 27 juni 2023.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand met bevestiging van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04308 P
Datum27 juni 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2021, nummer 22-000518-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 juni 2023.