Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
24 januari 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen verdachte wegens feitelijk leiding geven aan belastingfraude en valsheid in geschrift heeft de Hoge Raad het cassatieberoep beoordeeld op ontvankelijkheid. De schriftuur met cassatiemiddelen werd pas na de wettelijke termijn ingediend, waardoor de advocaat-generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring.
De aanzegging van de Hoge Raad, die de termijn voor het indienen van de schriftuur bepaalt, was op 25 juni 2022 aan de verdachte persoonlijk betekend op zijn adres in de Basisregistratie Personen. De raadsman stelde zich pas op 20 september 2022 als zodanig op, zodat er ten tijde van de aanzegging geen verplichting bestond om een afschrift aan de raadsman te sturen.
De Hoge Raad oordeelt dat hierdoor niet is voldaan aan de termijnvereiste van artikel 437 lid 2 Sv Pro en verklaart het beroep van verdachte niet-ontvankelijk. Hiermee kan het cassatieberoep niet inhoudelijk worden behandeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de schriftuur.