ECLI:NL:HR:2023:812

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
29 mei 2023
Zaaknummer
22/02585
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 117 SvArt. 134 SvArt. 552a SvArt. 139 DWUArt. 10:1 ADW
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens beëindigd beslag na vernietiging tabaksproducten

In deze zaak is onder klager beslag gelegd op sigaretten en tabak wegens verdenking van overtreding van de aangifteplicht en het bezit van niet-geaccijnsde tabaksproducten. Na verlening van een machtiging tot vernietiging door de officier van justitie zijn de inbeslaggenomen voorwerpen vernietigd. Klager diende een klaagschrift in gericht op teruggave van deze voorwerpen. De rechtbank verklaarde klager niet-ontvankelijk in het klaagschrift.

Klager voerde in cassatie aan dat het beslag niet beëindigd kon zijn zonder voorafgaande waardebepaling van de voorwerpen, zoals voorgeschreven in artikel 117 lid 3 Sv Pro en artikel 14 lid 1 van Pro het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen. De Hoge Raad oordeelde echter dat op grond van artikel 134 lid 2 sub c Sv Pro het beslag wordt beëindigd zodra de machtiging tot vernietiging is verleend, ongeacht of er een waardebepaling heeft plaatsgevonden.

De Hoge Raad bevestigde dat het ontbreken van een waardebepaling voorafgaand aan de vernietiging niet aan de beëindiging van het beslag in de weg staat. Hierdoor was het klaagschrift niet-ontvankelijk en kon het cassatieberoep niet in behandeling worden genomen. De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en verwierp het cassatieberoep van klager.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beslag door machtiging tot vernietiging was beëindigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02585 B
Datum30 mei 2023
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 21 maart 2022, nummer RK 22/000204, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft H. Loonstein, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel en van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Onder de klager zijn tabak en sigaretten inbeslaggenomen. Deze voorwerpen zijn, na het verlenen van een machtiging tot vernietiging door de officier van justitie, op 11 augustus 2020 vernietigd. Nadien is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend, dat strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager. De rechtbank heeft de klager op 21 maart 2022 niet-ontvankelijk verklaard in dit beklag.
2.2
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op grond van artikel 134 lid 2 Sv Pro het beslag is beëindigd als gevolg van de verlening van de machtiging tot vernietiging. Het voert daartoe aan dat, ook al is een machtiging tot vernietiging verleend, het beslag niet eindigt als voorafgaand aan de vernietiging van de inbeslaggenomen voorwerpen niet een waardebepaling plaatsvindt.
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 117 leden Pro 1 en 3 Sv:
“1. De inbeslaggenomen voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging.
3. De in het eerste lid bedoelde machtiging is gericht tot de bewaarder of aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder zich heeft. Degene aan wie de machtiging is gericht, draagt zorg voor de bepaling van de waarde die het voorwerp op dat moment bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht.”
- Artikel 134 lid 2 Sv Pro:
“2. Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij (...)
c. de machtiging als bedoeld in artikel 117 is Pro verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
(...)”
- Artikel 14 lid 1 Besluit Pro inbeslaggenomen voorwerpen:
“Alvorens aan een verkregen machtiging tot het vernietigen, prijsgeven of bestemmen tot een ander doel dan het onderzoek uitvoering wordt gegeven, wordt de prijs geschat, die het betrokken voorwerp bij verkoop redelijkerwijs zou moeten opbrengen.”
2.4
De rechtbank heeft vastgesteld dat de inbeslaggenomen voorwerpen zijn vernietigd op grond van een machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv Pro. Hieruit volgt dat, gelet op artikel 134 lid Pro 2, aanhef en onder c, Sv, het beslag al was beëindigd op het moment van de beslissing op het klaagschrift. Dat – zoals in de toelichting op het cassatiemiddel wordt gesteld – voorafgaand aan de vernietiging niet een waardebepaling als bedoeld in artikel 117 lid 3 Sv Pro in verbinding met artikel 14 lid 1 van Pro het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders, nu artikel 134 lid Pro 2, aanhef en onder c, Sv de beëindiging van het beslag niet afhankelijk stelt van zo’n waardebepaling.
2.5
Het vorenstaande brengt met zich dat het cassatiemiddel, dat op een andersluidende opvatting berust, tevergeefs is voorgesteld. Nu de rechtbank de klager terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het beklag, kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 mei 2023.