ECLI:NL:HR:2023:807

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
26 mei 2023
Zaaknummer
21/04274
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137e lid 1 sub 2 SrArt. 10 EVRMArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen verspreiden discriminatoire flyers tegen homoseksuelen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het meermalen verspreiden van flyers die aanzetten tot discriminatie van en beledigend zijn voor homoseksuelen, in strijd met artikel 137e lid 1 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte voerde in cassatie aan dat zijn recht op vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door artikel 10 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), werd geschonden en dat er geen dwingende maatschappelijke noodzaak bestond om deze vrijheid te beperken. Tevens werd geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de vrijheid van meningsuiting niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden en dat het niet nodig is deze uitvoerig te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Wel erkende de Hoge Raad dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden doordat de stukken te laat door het hof werden ingezonden. Gelet op de opgelegde geldboete van €500, subsidiair tien dagen hechtenis, achtte de Hoge Raad het voldoende om dit vast te stellen zonder verdere rechtsgevolgen te verbinden.

Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de verdachte blijft veroordeeld voor medeplegen van discriminatie met een geldboete van €500, subsidiair tien dagen hechtenis.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04274
Datum30 mei 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 oktober 2021, nummer 23-000172-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R. van Leusden en D.J.M. Dammers, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde geldboete van € 500, subsidiair tien dagen hechtenis, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 mei 2023.