Art. 81 lid 1 ROWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt gerechtigdheid tot saldo derdengeldenrekening in civiele zaak
In deze civiele zaak stond de vraag centraal wie gerechtigd was tot het saldo van een derdengeldenrekening. De curator van Plassania Beheer B.V. stelde zich op het standpunt dat hij aanspraak maakte op dit saldo, terwijl de wederpartij dit betwistte.
De procedure kende een uitgebreid verloop in de feitelijke instanties, met vonnissen van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De curator stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad heeft de klachten van de curator tegen het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep wordt verworpen en de curator wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, inclusief verschotten en salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Tanja-van den Broek (voorzitter), du Perron en Lock, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Lock op 26 mei 2023.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/02091
Datum26 mei 2023
ARREST
In de zaak van
Seerp Daniel Willinge GRATAMA, in zijn hoedanigheid van curator van Plassania Beheer B.V.,
kantoorhoudende te Amsterdam,
EISER tot cassatie,
hierna: de curator,
advocaten: B.I. Kraaipoel en T.E. Booms,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaten: A. Stortelder en B.T.M. van der Wiel.
1.Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/602255 / HA ZA 16-158 van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2016, 8 maart 2017 en 1 augustus 2018;
b. het arrest in de zaak 200.249.398/01 van het gerechtshof Amsterdam van 8 maart 2022.
De curator heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend. De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaten, en mede door C. Sprik. De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van de curator hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.135,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de curator deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 26 mei 2023.