ECLI:NL:HR:2023:71

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
20 januari 2023
Zaaknummer
21/02972
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 sub b WVW 1994Art. 1 lid 1 sub c WVW 1994Art. 1 lid 1 sub e WVW 1994Art. 107 lid 1 WVW 1994Art. 15 lid 1 sub a Reglement rijbewijzen
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rijbewijsplicht voor rijden op minibike als bromfiets

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs op een minibike op de openbare weg. De verdediging stelde dat voor een minibike geen rijbewijs nodig is en dat het voertuig niet als bromfiets kan worden aangemerkt.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft vastgesteld dat het voertuig, aangeduid als minibike, kwalificeert als een motorrijtuig in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, en specifiek als bromfiets waarvoor een rijbewijs vereist is. Dit oordeel is gebaseerd op het proces-verbaal waarin de verbalisant de verdachte zag rijden op de openbare weg en constateerde dat de verdachte geen rijbewijs kon tonen.

De Hoge Raad concludeert dat de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd is en dat het cassatiemiddel faalt. Het beroep wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand. De zaak benadrukt de reikwijdte van de rijbewijsplicht voor minibikes op de openbare weg.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor rijden zonder rijbewijs op een minibike als bromfiets.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02972
Datum31 januari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 juli 2021, nummer 23-001029-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het tenlastegelegde rijden zonder rijbewijs. Daartoe wordt aangevoerd dat voor het rijden op een minibike geen rijbewijs nodig is.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:
“hij op 2 juni 2020 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets) heeft gereden op de weg, Liendenhof, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op het volgende bewijsmiddel:
“1. Een proces-verbaal overtreding met nummer 005150073 van 16 juli 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik zag de verdachte op 2 juni 2020 op de openbare weg, zijnde de Liendenhof, in Amsterdam, op een bromfiets rijden. Ik zag dat het door de verdachte bestuurde voertuig een motorrijtuig betrof als bedoeld in artikel 1 onder Pro c van de Wegenverkeerswet 1994. Voor het besturen van dit motorrijtuig is een rijbewijs vereist. Na vordering toonde de verdachte geen geldig rijbewijs. Ik hoorde de verdachte zeggen: “ik ben aan het testrijden en heb helemaal geen rijbewijs”. Bij het raadplegen van het rijbewijzenregister bleek mij dat aan de verdachte nooit enig rijbewijs was afgegeven. De verdachte bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] .”
2.2.3
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:
“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden zonder rijbewijs. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juni 2021 is aan hem eerder voor een soortgelijk feit een strafbeschikking uitgevaardigd. De verdachte heeft daaruit kennelijk geen enkele lering getrokken. Anderzijds weegt mee dat de verdachte in onderhavige zaak heeft gereden op een minibike. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om te volstaan met oplegging van een geldboete van na te melden hoogte.”
2.2.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van de verdachte onder meer het volgende heeft aangevoerd:
“Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op een bromfiets heeft gereden zonder rijbewijs. Het voertuig waarop de verdachte heeft gereden, betreft echter een mini-voertuigje waarvoor een rijbewijs niet nodig is. De verdachte had daarmee niet op de openbare weg mogen rijden, maar op eigen grond had dat wel gemogen. Het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt, zit hem dus eigenlijk in het onverzekerd rijden. Nu een rijbewijs voor het betreffende voertuig niet nodig is, kan het ten laste gelegde feit niet worden bewezen.”
2.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 1 lid Pro 1, aanhef en onder b, c en e, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994):
“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(...)
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
c. motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning;
d. (...);
e. bromfiets:
a. motorrijtuig op twee wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d; (...).”
- Artikel 107 lid 1 WVW Pro 1994:
“Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.”
- Artikel 15 lid Pro 1, aanhef en onder a, Reglement rijbewijzen:
“Rijbewijzen worden afgegeven voor het besturen van de volgende categorieën van motorrijtuigen:
a. bromfietsen, niet zijnde bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet (rijbewijs categorie AM).”
2.4
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 107 lid 1 WVW Pro 1994 in verbinding met artikel 1 lid Pro 1, aanhef en onder c en e, WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘motorrijtuig (bromfiets)’ zijn gebruikt in de betekenis die die woorden hebben in die bepalingen.
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat de verbalisant de verdachte heeft zien rijden op de openbare weg op een motorrijtuig. Het oordeel van het hof dat het onderhavige, door de verdediging als ‘minibike’ aangeduide, voertuig kan worden aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor de bestuurder op de weg over een rijbewijs als bedoeld in artikel 107 lid 1 WVW Pro 1994 moet beschikken, in het bijzonder een rijbewijs voor het besturen van een bromfiets, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Mede in het licht van het voor het bewijs gebruikte proces-verbaal waaruit volgt dat aan de verdachte nooit enig rijbewijs is afgegeven, is de bewezenverklaring ook toereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 januari 2023.