In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor belaging van zijn ex-vriendin door het sturen van e-mails, WhatsApp-berichten, brieven en het langs haar woning lopen en rijden. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld voor belaging, ondanks dat er sprake was van wederzijds contact tussen partijen. De verdediging stelde dat het hof had moeten beslissen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat geen sprake was van belaging vanwege dit wederzijds contact.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel faalt omdat het hof niet gehouden was om op dit verweer te reageren, aangezien de verdediging niet nadrukkelijk had gesteld dat het contact ook in de bewezenverklaarde periode bestond. Bovendien kon uit het oordeel van het hof worden afgeleid dat in die periode geen wederzijds contact meer was, wat de veroordeling rechtvaardigde.
Daarnaast werd de beslissing van het hof om een fotocamera aan het verkeer te onttrekken vernietigd. Het hof had geoordeeld dat het ongecontroleerd bezit van de fotocamera in strijd was met het algemeen belang, maar deze motivering werd door de Hoge Raad niet als voldoende begrijpelijk beoordeeld. Daarom werd dit deel van het arrest vernietigd zonder terugwijzing.
De overige klachten van de verdachte werden verworpen, en de Hoge Raad bevestigde daarmee de vrijspraak voor belaging en beperkte de vernietiging tot de onttrekking van de fotocamera.