Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake het uitleveringsverzoek van de Republiek Servië van een persoon met Servische nationaliteit. De verdachte werd verdacht van onder meer dwang, mishandeling van een ambtenaar in functie, wapenbezit en (gekwalificeerde) diefstallen.
In cassatie werd onder meer verzocht om nadere informatie in te winnen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in Servië in 2013, om te onderzoeken of sprake was van een voltooide schending van artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) betreffende het verbod op foltering en onmenselijke behandeling.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek om nadere informatie onvoldoende aanleiding gaf om de uitlevering op grond van art. 3 EVRM Pro te weigeren. De klachten tegen de uitspraak van het hof konden niet leiden tot vernietiging en behoefden geen nadere motivering, conform art. 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep werd derhalve verworpen en de uitlevering kon doorgaan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Servië kan doorgaan.