ECLI:NL:HR:2023:183
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak over bestuurdersaansprakelijkheid omzetbelasting wegens schending verdedigingsbeginsel
Belanghebbende was bestuurder van een BV die een naheffingsaanslag omzetbelasting en heffingsrente opgelegd kreeg over 2008. De BV betaalde deze bedragen niet, waarna belanghebbende als bestuurder aansprakelijk werd gesteld voor het onbetaalde bedrag over de periode 1 januari tot 1 december 2008.
Het Hof had het bedrag waarvoor belanghebbende aansprakelijk werd gesteld verminderd wegens schending van het unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat belanghebbende voorafgaand aan de beschikking niet was gehoord over bepaalde facturen die mogelijk tot een andere beslissing hadden kunnen leiden. Voor het overige handhaafde het Hof de aansprakelijkstelling.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte voorbij was gegaan aan het gemotiveerde betoog van de ontvanger dat de betreffende omzetbelasting vanwege fraude hoe dan ook niet aftrekbaar was, waardoor het horen van belanghebbende niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Daarnaast verduidelijkte de Hoge Raad dat een aansprakelijkgestelde zich op het unierechtelijke verdedigingsbeginsel kan beroepen en ook een verweer kan voeren dat meer belasting in aftrek moet worden toegelaten dan door de belastingschuldige is gedaan, zelfs als de naheffingsaanslag onherroepelijk is en de termijn voor ambtshalve vermindering is verstreken.
De Hoge Raad wees een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het principale beroep ongegrond en het incidentele beroep gegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.