Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.Beslissing
22 december 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal wat moet worden verstaan onder een complex als bedoeld in artikel 40d van de Onteigeningswet, in het kader van de vaststelling van schadeloosstelling bij onteigening. Het betrof een deels in het buitenland gevestigd familiebedrijf waarvan de onderdelen werden vereenzelvigd.
De eiser, als gevolmachtigde van de vader, stelde cassatieberoep in tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 augustus 2022. De gemeente stelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de eiser beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Gezien het ontbreken van vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, was motivering niet vereist. Het voorwaardelijke incidentele beroep van de gemeente behoeft geen behandeling.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de eiser in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 3.057,-- vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Tanja-van den Broek (voorzitter), Lock en Salomons en in het openbaar uitgesproken door Lock op 22 december 2023.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het vonnis van de rechtbank over de vaststelling van schadeloosstelling bij onteigening.