Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 december 2023.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker verworpen tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2022, waarin het hof het ontslag op staande voet had beoordeeld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klachten over de bewijswaardering van het voorval onvoldoende zijn om de beschikking te vernietigen.
Het geding betrof een arbeidsrechtelijke kwestie waarbij de beoordeling van het ontslag op staande voet centraal stond. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag voor het procesverloop en de feitelijke context.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van verzoeker schriftelijk heeft gereageerd. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk te motiveren waarom het cassatieberoep werd verworpen, omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad veroordeelde verzoeker in de kosten van het cassatiegeding tot een bedrag van € 2.657,--, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig betaald. De uitspraak werd gedaan door de vicepresident en raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof bevestigd.