ECLI:NL:HR:2023:155

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2023
Publicatiedatum
3 februari 2023
Zaaknummer
22/02630
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Belanghebbende stelde een beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake een belastingzaak. Het ingediende beroepschrift bevatte echter niet de wettelijk vereiste gronden zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb. De griffier van de Hoge Raad gaf belanghebbende meerdere malen de gelegenheid om dit verzuim te herstellen, eerst via een bericht in het digitale dossier en vervolgens via een aangetekende brief.

Ondanks deze kansen maakte belanghebbende geen gebruik van de herstelmogelijkheid en liet ook de advocaat weten niet langer als gemachtigde op te treden. Hierdoor kon het beroep niet inhoudelijk worden behandeld. De Hoge Raad past daarom artikel 6:6 Awb Pro toe en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 3 februari 2023 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden in het beroepschrift.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02630
Datum3 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 30 mei 2022, nr. HAA 20/6234 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 8 juli 2021.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
Het beroep in cassatie is namens belanghebbende ingesteld door een advocaat. Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep. De griffier van de Hoge Raad heeft op 9 september 2022 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij gelegenheid is gegeven om dat verzuim binnen zes weken te herstellen. Daarop heeft de advocaat op 11 oktober 2022 in datzelfde digitale dossier een bericht geplaatst met de mededeling niet meer op te treden als gemachtigde van belanghebbende.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft vervolgens belanghebbende bij aangetekende brief van 25 oktober 2022 in de gelegenheid gesteld het hiervoor in 1.1 bedoelde verzuim binnen zes weken te herstellen. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2023.