ECLI:NL:HR:2023:1548

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
22/00021
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 SrArt. 326 lid 1 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij hypotheekfraude

In deze strafzaak betrof het beroep in cassatie een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en oplichting, gepleegd in het kader van hypotheekfraude. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden.

De Hoge Raad beoordeelde meerdere cassatiemiddelen, waaronder klachten over de omvang van de terugwijzingsopdracht, bewijswaardering omtrent medeplegen, en de motivering van de straf. Deze klachten werden verworpen, waarbij de Hoge Raad volstond met een summiere motivering conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

Wel werd het zesde cassatiemiddel gegrond verklaard, waarin werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege late toezending van stukken door het hof. Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest betreffende de strafoplegging en vermindering van de gevangenisstraf van tien maanden naar negen maanden en twee weken.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het overige oordeel van het hof en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 14 november 2023.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van tien maanden naar negen maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00021
Datum14 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2021, nummer 21-000273-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. BroekhuizenMeuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 november 2023.