ECLI:NL:HR:2023:149

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2023
Publicatiedatum
3 februari 2023
Zaaknummer
22/02959
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 53 Algemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in AOW-zaak

Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepassing van artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Centrale Raad van Beroep had het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam betreffende een besluit van de Sociale Verzekeringsbank.

De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk is. Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 53 van Pro de Algemene Ouderdomswet is cassatie niet toegelaten tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep die betrekking hebben op de toepassing van artikel 7a AOW.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd gewezen door raadsheren Wortel, Cools en Van der Voort Maarschalk en uitgesproken op 3 februari 2023.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens wettelijke uitsluiting van cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02959
Datum3 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 juni 2022, nr. 21/2402 AOW [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 20/3446) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Uit artikel 53 van Pro de Algemene Ouderdomswet volgt dat beroep in cassatie niet is opengesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, waarin het gaat om de toepassing van artikel 7a van die Wet. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier S. Joosten, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2023.