ECLI:NL:HR:2023:1262

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2023
Publicatiedatum
15 september 2023
Zaaknummer
20/03979
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 36f SrArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn en handhaaft straf wegens meervoudige mishandeling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake meervoudige mishandeling. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over de overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten en concludeerde dat de meeste klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad zelf pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.

Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat gezien de relatief lichte straf geen aanleiding bestond om aan deze termijnoverschrijding rechtsgevolgen te verbinden. De vorderingen van de benadeelde partijen tot immateriële schadevergoeding en de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen werden door het hof op begrijpelijke wijze toegewezen. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot 120 dagen gevangenisstraf, waarvan 79 dagen voorwaardelijk, ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03979
Datum19 september 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 november 2020, nummer 22-005328-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [verdachte] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te ‘s–Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft E.W. Bosch, advocaat te Maasdijk, een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 september 2023.