Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
7 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen de verdachte die werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving op 7 januari 2018. In hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte op 1 februari 2021 een voorwaardelijk verzoek gedaan om een van de aangevers, [benadeelde 1], als getuige te horen. Dit verzoek was herhaald en gebaseerd op het belang van toetsing van een belastende verklaring die door justitie als bewijs werd gebruikt.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft dit verzoek niet uitdrukkelijk behandeld, omdat het de verklaring van de aangever niet als bewijs heeft gebruikt. De Hoge Raad oordeelt dat het verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in art. 315 jo Pro. 328 Sv een uitdrukkelijke beslissing vereist, ook als het voorwaardelijk is gedaan en de voorwaarde is vervuld.
Omdat het hof niet op het verzoek heeft beslist, vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en beslissing op het getuigenverzoek. De zaak betreft meerdere feiten van geweldpleging en vrijheidsberoving, waarbij het bewijs onder meer bestaat uit verklaringen van aangevers.
De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van een volledige en zorgvuldige behandeling van getuigenverzoeken in hoger beroep, mede gelet op het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM, zoals het arrest Keskin tegen Nederland.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting en beslissing op het getuigenverzoek.