ECLI:NL:HR:2023:1130

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2023
Publicatiedatum
24 augustus 2023
Zaaknummer
22/04326
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 BWArt. 4:208 lid 1 BWArt. 4:218 lid 1 BWArt. 4:218 lid 3 BWArt. 80 lid 1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering legaten op peildatum overlijden erflaatster

In deze zaak gaat het om een geschil over de waardering van legaten uit de nalatenschap van een in 2016 overleden moeder, waarbij de zonen legaten ontvingen die gelijk moesten zijn aan hetgeen zij als erfgenaam zouden hebben gekregen. De kern van het geschil betrof de juiste peildatum voor de waardering van onroerende zaken binnen de nalatenschap. De zonen stelden dat de waardering moest plaatsvinden op het moment van verdeling, zoals bij een gemeenschap, en niet onmiddellijk na het overlijden van de erflaatster.

De kantonrechter oordeelde dat de peildatum voor de waardering van de onroerende zaken het tijdstip onmiddellijk na het overlijden is, zoals bepaald in art. 4:6 BW Pro. Dit betekent dat waardestijgingen of -dalingen na dat moment voor risico van de erfgenaam zijn en niet van de legatarissen. De zonen kwamen hiertegen in verzet, maar dit werd door de kantonrechter ongegrond verklaard.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat het testament de legaten koppelt aan de waarde van de nalatenschap op het moment van overlijden, niet aan de waarde bij verdeling. Ook werd benadrukt dat de goede en kwade kansen van waardeveranderingen na overlijden voor risico van de erfgenaam komen. Het cassatieberoep van de zonen werd verworpen, waarmee de beschikking van de kantonrechter in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de waardering van legaten plaatsvindt op het tijdstip onmiddellijk na overlijden van de erflaatster.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/04326
Datum25 augustus 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna: de zonen,
advocaten: M. Littooij en M.B.A. Alkema,
tegen
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de dochter,
advocaat: A.C. de Bakker,
en
[de vereffenaar], in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de vereffenaar,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar
de beschikking in de zaken 9790481 \ EJ VERZ 22-89 en 9790582 \ EJ VERZ 22-90 van de kantonrechter te Alkmaar van 10 november 2022, verbeterd op 16 november 2022.
De zonen hebben tegen de beschikking van de kantonrechter beroep in cassatie ingesteld.
De dochter heeft een verweerschrift ingediend.
De vereffenaar heeft geen verweerschrift ingediend.
De zonen hebben met (voor de Advocaat-Generaal niet kenbare) toestemming van de rolraadsheer gerepliceerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging van de beschikking van de kantonrechter en verwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
De advocaten van de zonen, respectievelijk de dochter hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In 2016 is de moeder van de zonen en de dochter overleden (hierna: erflaatster).
(ii) Erflaatster heeft in 2007 bij testament over haar nalatenschap beschikt. Zij heeft daarbij de dochter als enig erfgenaam aangewezen en aan de zonen legaten toegekend. Het testament luidt op het punt van de legaten als volgt:
“Ik legateer aan ieder van mijn zoons een bedrag in geld gelijk aan hetgeen zij uit mijn nalatenschap zouden hebben gekregen als zij erfgenaam in mijn nalatenschap zouden zijn geweest.”
(iii) De dochter heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.
(iv) Bij beschikking van 17 augustus 2017 heeft de rechtbank Noord-Holland de vereffenaar in die hoedanigheid benoemd.
(v) De vereffenaar heeft op 11 februari 2022 de in art. 4:218 lid 1 BW Pro bedoelde uitdelingslijst en rekening en verantwoording ter inzage gelegd. Deze terinzagelegging is in de Staatscourant gepubliceerd.
2.2
Zowel de zonen als de dochter zijn op de voet van art. 4:218 lid 3 BW Pro in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst. De zonen hebben aan hun verzet onder meer ten grondslag gelegd dat bij de berekening van de aan hen toekomende legaten is uitgegaan van een onjuiste peildatum voor de waardering van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaken, te weten het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflaatster. Het testament van erflaatster bepaalt dat aan de zonen een bedrag in geld gelegateerd wordt, gelijk aan hetgeen zij uit de nalatenschap zouden hebben gekregen als zij erfgenamen in de nalatenschap zouden zijn geweest. Daarom moet volgens de zonen bij de berekening van de waarde van de onroerende zaken worden gehandeld alsof deze onderdeel uitmaken van een gemeenschap en moeten worden verdeeld, en worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Art. 4:6 BW Pro achten zij niet van toepassing.
2.3
De kantonrechter heeft het verzet van de zonen, voor zover het de waardering van de onroerende zaken betreft, ongegrond geoordeeld. Daartoe heeft de kantonrechter, voor zover in cassatie van belang, overwogen:

waardepeildatum
5.2.
Het belangrijkste punt betreft de vraag tegen welke datum de onroerende zaken in de nalatenschap moeten worden gewaardeerd. Van die vraag hangt immers af hoe groot de legaten zijn. [De zonen] hebben namelijk ieder een geldbedrag gelegateerd gekregen waarbij erflaatster heeft bepaald dat dat eenzelfde bedrag moet zijn als in het geval zij erfgenaam zouden zijn geweest.
5.3.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het legaat is in dit geval geen vast geldbedrag. In het testament is bepaald dat het legaat een bedrag is gelijk is als waren zij erfgenaam. Peildatum voor de waarde van de goederen der nalatenschap is het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater (artikel 4:6 BW Pro). Deze waardepeildatum geldt hier dus ook voor de vaststelling van de waarde van het legaat. Ten onrechte stellen [de zonen] dat voor de [bedrijfsruimte] van de verkoopopbrengst moet worden uitgegaan en voor de [woning] van de waarde op het moment van verdelen moet worden uitgegaan. De goede en kwade kansen van waardestijging en waardedaling van de woning komen voor risico van de erfgenaam, niet voor de [zonen] als legatarissen.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Van de beschikking van de kantonrechter stond geen hoger beroep open, zodat de zonen ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.1). Op grond van art. 80 lid 1 RO Pro kunnen tegen de beschikking geen rechtsklachten worden aangevoerd. Wel kan worden aangevoerd dat de beschikking niet de gronden inhoudt waarop deze berust (art. 80 lid Pro 1, aanhef en onder a, RO). Bij de rechtvaardiging van deze beperking in een procedure als de onderhavige kunnen vraagtekens worden geplaatst, aangezien het financiële belang groot kan zijn en de beperking niet geldt als de rechtbank op grond van art. 4:208 lid 1 BW Pro een rechter-commissaris heeft benoemd voor de vereffening. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts niet dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat art. 80 lid 1 RO Pro van toepassing is indien geen rechter-commissaris wordt benoemd (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2-4.5). Een en ander is echter onvoldoende grond om art. 80 lid 1 RO Pro buiten toepassing te laten. In overeenstemming met deze bepaling hebben de zonen de in het middel geformuleerde rechtsklachten ingetrokken.
3.2.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de onroerende zaken op grond van art. 4:6 BW Pro moeten worden gewaardeerd naar het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflaatster. Onderdeel 1.1 klaagt dat de kantonrechter met dit oordeel is voorbijgegaan aan het essentiële betoog van de zonen dat, samengevat, het testament zo moet worden uitgelegd dat zij evenveel krijgen als in het geval zij erfgenaam waren geweest, dat dit voor de berekening van de legaten betekent dat dient te worden uitgegaan van drie erfgenamen, en dat daarom in dit geval, net als bij de verdeling van een gemeenschap, moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling.
3.2.2
Het onderdeel faalt. De kantonrechter heeft het bedoelde betoog in rov. 3.6 van zijn beschikking onder ogen gezien en in rov. 5.3 verworpen. Aan de verwerping heeft de kantonrechter ten grondslag gelegd dat ingevolge art. 4:6 BW Pro ook voor de berekening van de waarde van de onderhavige legaten de waarde van de goederen van de nalatenschap moet worden bepaald naar het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflaatster, en dat de goede en kwade kansen van waardestijging en waardedaling van de woning voor risico komen van de erfgenaam, niet voor risico van de zonen als legatarissen. In deze motivering liggen de oordelen besloten (i) dat art. 4:6 BW Pro, anders dan de zonen hebben betoogd (zie hiervoor in 2.2), relevant is voor de berekening van de waarde van de legaten, en (ii) dat de door erflaatster beoogde gelijke behandeling moet worden beoordeeld naar het in die bepaling bedoelde tijdstip en niet meebrengt dat moet worden gehandeld alsof de zonen toch erfgenaam zouden zijn. In het licht van de gedingstukken is die motivering toereikend.
3.3
De overige motiveringsklachten van onderdeel 1, alsmede de motiveringsklachten van de onderdelen 2 en 4, kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen (zie art. 81 lid 1 RO Pro). Onderdeel 3, dat is voorgesteld voor het geval dat onderdeel 1 slaagt, behoeft geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
25 augustus 2023.