Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2023:1030

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
21/04046
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300.1 SrArt. 359.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in mishandelingszaak met bewijsvoering via camerabeelden

De zaak betreft een mishandelingsincident waarbij de verkoper van een schoenenwinkel aanvankelijk de identiteit van de verdachte, die hij van school kende, niet aan de politie wilde prijsgeven. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar het gerechtshof Amsterdam oordeelde anders en sprak hem schuldig uit.

In cassatie stelde de verdachte meerdere middelen aan de orde, waaronder de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever, de motivering van het hof ten aanzien van de bewijsvoering en de identificatie van de verdachte op camerabeelden. De Hoge Raad heeft deze middelen onderzocht en verworpen.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof het motief van de aangever voor aanvankelijke terughoudendheid bij het afleggen van zijn verklaring begrijpelijk heeft beoordeeld en dat de verklaring betrouwbaar is. Tevens heeft het hof voldoende gemotiveerd waarom het de herkenning van de verdachte op de camerabeelden betrouwbaar acht, waarbij het hof aannam dat de beelden die het ter terechtzitting heeft bekeken dezelfde zijn als die waarop de verbalisant de verdachte herkende.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet in strijd met de wet heeft gehandeld en dat de motivering voldoet aan de eisen van artikel 359 lid 2 Sv Pro. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04046
Datum11 juli 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2021, nummer 23-000014-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verklaring van de aangever betrouwbaar is.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 7, 9 en 10.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de bewijsvoering.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 tot en met 15.

4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het heeft ontleend dat de door het hof ter terechtzitting bekeken camerabeelden dezelfde beelden zijn als de camerabeelden waarop de herkenning berust van de verdachte door verbalisant [verbalisant] .
4.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 19 en 20.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 juli 2023.