Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
5 juli 2022.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een hoofdelijke betalingsverplichting van €110.016,06 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit medeplegen van hennepteelt. Het hof baseerde zich op het strafdossier en schatte het voordeel op dit bedrag, waarbij het de betalingsverplichting hoofdelijk aan de betrokkene oplegde.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat artikel 36e lid 7 Sr bepaalt dat hoofdelijke aansprakelijkheid slechts kan worden opgelegd indien sprake is van een gemeenschappelijk voordeel en duidelijke aanwijzingen dat de betrokkene en mededaders gezamenlijk de beschikking hadden over het gehele voordeel. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom de betalingsverplichting volledig aan de betrokkene kon worden opgelegd.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. De zaak betreft de toepassing van ontnemingsmaatregelen bij medeplegen en de voorwaarden voor hoofdelijke betalingsverplichting.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en wijst zaak terug wegens onvoldoende motivering hoofdelijke betalingsverplichting.