ECLI:NL:HR:2022:963

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
27 juni 2022
Zaaknummer
19/02656
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep van de betrokkene tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 mei 2019, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene werd behandeld.

De Hoge Raad heeft de klachten van de betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoeft zijn oordeel niet nader te motiveren omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Desondanks leidt deze overschrijding niet tot een ander rechtsgevolg in deze zaak. In een samenhangende strafzaak wordt nog beoordeeld of compensatie wegens termijnoverschrijding moet plaatsvinden.

De Hoge Raad besluit het beroep te verwerpen en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02656 P
Datum28 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 mei 2019, nummer 20-003574-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft T.P.M. Kouwenaar, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 19/02655, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 juni 2022.