Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 15 lid 1 sub c EVEX II
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid volgens art. 15 lid 1 sub c EVEX II in ski-ongeval
In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen arresten van het hof Amsterdam met betrekking tot een ski-ongeval waarbij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de orde was op grond van artikel 15 lid 1 sub c vanPro het Europees Verdrag inzake de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen op burgerlijk en handelsgebied (EVEX II).
De Hoge Raad verwijst voor het procesverloop naar eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en arresten van het gerechtshof Amsterdam. De klachten van eiser tegen de arresten van het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze leiden niet tot vernietiging van de arresten.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet uitvoerig omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wattendorff (voorzitter), Schaafsma en Salomons en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2022.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid bevestigd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/02031
Datum28 januari 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
WENGERNALPBAHN AG, gevestigd te Interlaken, Zwitserland,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Wengernalpbahn,
advocaat: R.D. Boesveld.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/603095 / HA ZA 16-208 van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2016, 28 september 2016 en 27 september 2017;
de arresten in de zaak 200.230.182/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2019 en 7 april 2020.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Wengernalpbahn heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Wengernalpbahn mede door C.C. Horrevorts.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Wengernalpbahn begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 28 januari 2022.