Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 december 2020, waarin hij werd veroordeeld voor diefstal met geweld door het meenemen van de tas van een medereiziger in een trein terwijl hij zwaar beschonken was.
Namens verdachte werd een cassatiemiddel ingediend door zijn advocaat, gericht op een bewijsklacht: of uit de bewijsvoering kon worden afgeleid dat verdachte de tas met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had weggenomen. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 21 juni 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor diefstal met geweld.