ECLI:NL:HR:2022:836

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2022
Publicatiedatum
2 juni 2022
Zaaknummer
19/05793
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 9.2 WVW 1994Art. 36f SrArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs wetenschap ongeldigverklaring rijbewijs en toepassing gijzeling in schadevergoedingsmaatregel

De Hoge Raad heeft op 7 juni 2022 het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 december 2019 vernietigd en de zaak terugverwezen. De zaak betrof een verdachte die werd verdacht van verduistering en het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest dat betrekking had op dit feit en de strafoplegging.

Daarnaast vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest waarin het hof vervangende hechtenis had toegepast in verband met een schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad bepaalde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro.

De zaak is terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening van de beslissingen over het bestreden feit en de strafoplegging, met inachtneming van de aanpassingen door de Hoge Raad. Het beroep is voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting vanwege onvoldoende bewijs van wetenschap ongeldigverklaring rijbewijs en aanpassing van de maatregel vervangende hechtenis naar gijzeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05793
Datum7 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 december 2019, nummer 20-002458-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schrifturen cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft – bij conclusie en aanvullende conclusie – geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, te dien aanzien tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 28 maart 2017 te Born, gemeente Sittard-Geleen, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de rijksweg A2, althans de Verloren van Themaatweg, als bestuurder een motorrijtuig (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“5. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2017, dossierpagina’s 16-18, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(...)
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 18.40 uur, ontvingen wij van de regionale politiemeldkamer de melding dat er een bruine personenauto, merk Honda, type CR-V, voorzien van het Nederlands [kenteken], door de ANPR (Automatic Number Plate Recognition) was gereden bij Leende.
(...)
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 19.16 uur, fouilleerde ik de bestuurder van de voornoemde bruine, personenauto om zijn identiteit te achterhalen. Ik vond in zijn rechterbroekzak zijn Nederlandse identiteitskaart waarop stond:
naam: [verdachte]
voornamen: [verdachte]
geboortedatum: [geboortedatum] 1958.
Op dinsdag 28 maart 2017, omstreeks 21.30 uur, zochten wij verdachte [verdachte] op in het politiesysteem. Wij zagen dat verdachte [verdachte] zijn rijbewijs in 2001 volledig ongeldig was verklaard.
(...)
7. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2017, dossierpagina 32, met als bijlage de RDW-uitdraai, dossierpagina 33, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3]:
(pag. 32)
In navolging van het proces-verbaal van bevindingen van de collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 1] heb ik bij de RDW navraag gedaan of verdachte [verdachte] in het bezit is van een geldig Nederlands rijbewijs. Uit het systeem van de RDW is gebleken dat het Nederlandse rijbewijs van verdachte [verdachte] op 19 december 1997 volledig ongeldig is verklaard. Een uitdraai van de bevraging bij de RDW zal bij dit proces-verbaal van bevindingen worden gevoegd.
(pag. 33)
NL-RDW Autoriteit: Cbr Divisie Vorderingen
Ingang ongeldigverklaring
Categorie: B - Periode: vanaf 19-12-1997 - Soort: ongeldigheid
8. Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 maart 2017, dossierpagina’s 25-27, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :
Vraag verbalisanten: Kunt u zeggen hoe hard u gereden heeft?
Antwoord verdachte: 208 km/h.
Vraag verbalisanten: Waar bent u naartoe gereden?
Antwoord verdachte: Ik ben ergens van de snelweg gegaan. (...) Toen is de politie achter me aangegaan.
Vraag verbalisanten: Tijdens de achtervolging heeft u een aantal verkeersovertredingen begaan, waaronder het niet voldoen aan een stopteken gegeven door de politie, overtreden van de maximumsnelheid, het overige verkeer in gevaar brengen, het rode verkeerslicht negeren en rijden terwijl uw rijbewijs ongeldig is verklaard. Dit vond plaats tussen en op de autosnelweg A2 en in de bebouwde en buiten de bebouwde kom van Born en Buchten.
Antwoord verdachte: Ik heb dat (...) gedaan, ik wilde die mannetjes van mij weghouden. (...) Het was inderdaad rood.
Vraag verbalisanten: U was in het bezit, althans u trad als bestuurder op van een bruine Honda CRV voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken]. Hoe kwam u aan deze personenauto?
Antwoord verdachte: Ik heb die bij een Honda garage vlakbij de Amsterdam Arena opgehaald.”
2.3
Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte "wist" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht en slaagt in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [A] B.V. ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit.
3.2
Het hof heeft de verdachte – in verband met het onder 1 bewezenverklaarde feit - de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van [A] B.V. het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.
3.3
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging voor de feiten 1 en 2, met dien verstande dat de schadevergoedingsmaatregel die ter zake van feit 1 ten behoeve van [A] B.V. is opgelegd, uitsluitend wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat – voor zover ter zake van feit 1 bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [A] B.V. vervangende hechtenis is toegepast – met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien van de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging voor de feiten 1 en 2 – behoudens de toegepaste schadevergoedingsmaatregel zoals door de Hoge Raad bij dit arrest is aangepast – opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juni 2022.