Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
1 februari 2022.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit hennepteelt en diefstal van elektriciteit. De betrokkene stelde zich in cassatie op het standpunt dat de kosten voor herstel van de woning in mindering gebracht hadden moeten worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gerechtshof Den Haag had dit echter niet aanvaard.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat de klachten over het oordeel van het hof niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te onderzoeken omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep is verworpen. Hiermee blijft het oordeel van het hof Den Haag in stand dat de herstelkosten van de woning niet in mindering kunnen worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat herstelkosten niet in mindering komen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.