ECLI:NL:HR:2022:796

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2022
Publicatiedatum
27 mei 2022
Zaaknummer
21/05119
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28b lid 1 AWRArt. 6:6 AwbArt. 8:36c lid 2 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het beroepschrift was echter niet voorzien van de vereiste gronden van het beroep in cassatie.

Het Hof had de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke uitspraak die op 20 januari 2022 aan de Hoge Raad werd toegezonden. De Hoge Raad heeft belanghebbende op 3 maart 2022 via het digitale dossier en een notificatie per e-mail in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken de gronden van het beroep in cassatie in te dienen.

Belanghebbende heeft echter nagelaten om deze gronden binnen de gestelde termijn te overleggen. Op grond hiervan heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard conform artikel 6:6 Awb Pro. De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd en heeft het arrest op 27 mei 2022 gewezen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van de gronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/05119
Datum27 mei 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven,
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2022, nr. 19/01660.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie is gericht tegen de mondelinge uitspraak van het Hof van 9 november 2021. Het beroepschrift bevat niet de gronden van het beroep in cassatie. Het Hof heeft op de voet van artikel 28b, lid 1, AWR de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke uitspraak. Deze schriftelijke uitspraak is op 20 januari 2022 aan de griffier van de Hoge Raad verzonden.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 3 maart 2022 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld de gronden van het beroep in cassatie binnen zes weken na die datum in te dienen. Die termijn eindigde op 14 april 2022. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 3 maart 2022 een notificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven emailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 3 maart 2022.
Belanghebbende heeft de gronden van het beroep in cassatie niet ingediend. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2022.