ECLI:NL:HR:2022:707

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2022
Publicatiedatum
16 mei 2022
Zaaknummer
20/03116
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141.1 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 80a ROArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn bij openlijke geweldpleging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over openlijke geweldpleging. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang bij het tweede middel en omdat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het arrest van het hof niet tot vernietiging konden leiden en bevestigde dat de redelijke termijn was overschreden. Gezien de relatief lichte straf legde de Hoge Raad geen andere rechtsgevolgen aan deze overschrijding. Het beroep werd uiteindelijk verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks de overschrijding van de redelijke termijn; de straf blijft twaalf weken gevangenisstraf waarvan zes voorwaardelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03116
Datum17 mei 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 september 2020, nummer 20-000469-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het eerste middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en de verdachte bij het tweede middel onvoldoende belang heeft.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 mei 2022.